• darkblurbg
  • darkblurbg
  • darkblurbg

GERARD SCHURMANN - PORTRET

Portret van een vergeten Nederlandse filmcomponist - Vlak na de Tweede Wereldoorlog verfilmde de Franse filmregisseur Edmond T. Gréville onder de titel Niet tevergeefs de lotgevallen van een groep onderduikers op het platteland onder de rook van Amsterdam. De muziek voor de spannende en opmerkelijk realistische onderduikfilm uit 1948 werd geschreven door debuterend filmcomponist Gerard Schurmann die in de jaren ’50 en ’60 anderhalf dozijn vooral Engelse films van muziek zou voorzien. Afgelopen zomer verscheen bij het befaamde Engelse label Chandos een cd met een dwarsdoorsnede van zijn filmscores, getiteld The Film Music of Gerard Schurmann. Met Score blikte hij onlangs terug op zijn lange carrière in de vaderlandse en internationale filmwereld.

Hoewel hij niet in Nederland werd geboren had Gerard Schurmann bij zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit. In 1924 zag hij in Kertosono op Oost-Java in het toenmalige Nederlands-Indië het levenslicht. Na het overlijden in 1928 van zijn vader, wiens grootvader uit het Duitse Cloppenburg afkomstig was, besloot het gezin terug te keren naar Europa. Schurmann: ‛Ik herinner me dat ik van mijn vijfde tot zevende levensjaar een reizend bestaan door Nederland en Europa leidde met mijn moeder die haar carrière als pianiste weer probeerde op te pakken. Een tijdje hebben we gewoond in een nieuw gedeelte van Amsterdam dichtbij het stadion aan de Wielingenstraat.’

Muziek speelde in huize Schurmann een grote rol. Zijn moeder Elvire Dom was een begaafd pianiste met Hongaarse wortels die artiesten op hun tournee door Zuidoost-Azië begeleidde. ‛Ze gaf mij al op jonge leeftijd pianoles. Toen ik vijftien was regelde ze voor mij een studie bij James Zwart in Batavia gedurende de vakantie. Ik herinner me dat ik rond mijn tiende jaar vol verwondering zat te luisteren naar de operette Die Fledermaus van Johan Strauss, de eerste symfonie van Sjostakovitsj en de uitvoering van een reeks pianoconcerten van Mozart door Robert Casadesus op mijn moeders grammofoon met slinger.’

In 1934 keerde het gezin Schurmann terug naar Nederlands-Indië. De opgroeiende Gerard was steeds meer met muziek in de weer en zijn voornemen om in Europa een studie te gaan volgen leek met de inval van de Duitsers in Nederland in mei 1940 verder weg dan ooit. ‛Ik was zestien en zag toen geen enkele mogelijkheid om vanuit Nederlands-Indië naar Nederland te reizen en daar te beginnen met een studie. Een kans om van Java richting Engeland te reizen bood zich aan in de vorm van een wervingsadvertentie van de Marine Luchtvaartdienst waarop ik reageerde. Vlak na mijn zeventiende verjaardag begon ik aan een training in Soerabaja als telegrafist en als luchtschutter in Catalina watervliegtuigen. Vervolgens maakte ik me met een groep rekruten op voor de lange reis naar Engeland over zee en land via de Fiji eilanden, de Verenigde Staten en Canada. Uiteindelijk bereikten we in december 1941 Greenock in Schotland.’

In Engeland diende hij bij de Marine Luchtvaartdienst dat onderdeel van de Royal Air Force was en vloog hij 28 gevechtsoperaties. ¹ Tijdens verlofdagen verbleef hij in Londen bij zijn oom van moeders kant en werd hem de mogelijkheid geboden zijn pianospel te verfijnen in de Steinway Studio and Netherlands House. ‛Al gauw deed ik mee aan een aantal benefietconcerten, waaronder een in Croydon, waar ik kennis maakte met Seymour Winyates van de British Council. Het lukte haar om de autoriteiten ervan te overtuigen dat ik nuttiger was voor de oorlogsinspanning als ik voor de duur van een half jaar uit de actieve dienst werd gehaald om als pianist mijn bijdrage te leveren aan opnamen die werden gestuurd naar de strijdkrachten via ENSA.’ ENSA stond voor Entertainments National Service Association, de amusementsorganisatie van het Britse leger.

Gerard Schurmann, 30 jaar oud.

 

Koningin Wilhelmina

Ook aan het componeren van concertante stukken waagde de jonge Schurmann zich steeds meer. Aan het begin van zijn verlof vond hij de tijd om een vioolkwartet te schrijven. ‛Dat heb ik opgedragen aan koningin Wilhelmina die indertijd in Engeland in ballingschap leefde. De eerste uitvoering werd gegeven door het Hirsch Quartet in aanwezigheid van de koningin in het Netherlands House. Het kwartet speelde het nogmaals gedurende een reeks lunchconcerten van pianiste Myra Hess in de National Gallery en de Wigmore Hall in Londen.’ Daarnaast waren er uitvoeringen van een vroege liederencyclus getiteld Pacific die gebaseerd was op gedichten over Java en werd gezongen door de Nederlandse sopraan Joy McArden die in Londen werd begeleid door pianist John Wills voor de Society for the Promotion of New Music, een in 1943 opgerichte stichting die de compositie en uitvoering van werk van jonge, nog niet gevestigde componisten bevorderde.

Na de oorlog werd Schurmann benoemd tot waarnemend cultureel attaché aan de Nederlandse ambassade in Londen. In die hoedanigheid ontmoette hij de dirigent Eduard van Beinum, chef-dirigent van het Concertgebouworkest en in de jaren 1947-1950 eerste dirigent van het London Philharmonic Orchestra. ‛Hij toonde interesse in mij en moedigde me aan om te solliciteren naar de post van dirigent bij de Nederlandse radio in Hilversum. Ik werd prompt aangesteld en werkte vervolgens van 1947 tot 1949 met de drie radio-orkesten in Hilversum evenals enkele kleinere gezelschappen. We speelden muziek van het toenmalige lichte repertoire, maar ook klassieke werken. Zo werkte ik indertijd samen met pianist Cor de Groot en violist Theo Olof en ook met componisten Willem Pijper en Karel Mengelberg, neef van dirigent Willem Mengelberg.’

In die twee jaar waarin Schurmann heen en weer pendelde tussen Engeland en Nederland profiteerde hij volop van de muzikale ervaringen die hij overal wist op te doen. Ondertussen verlangde hij vurig naar de vroegere vrijheid om te kunnen componeren. Een nieuwe uitdaging deed zich in 1948 voor dankzij zijn netwerk van vrienden en collega’s: ‛Ik kreeg de kans de score te schrijven voor de Engels-Nederlandse film But Not in Vain – in het Nederlands Niet tevergeefs. De film over verzet en collaboratie werd geregisseerd door de Fransman Edmond T. Gréville. De muziek nam ik met het Concertgebouworkest op in de Cinetone studio.’ Op de aftiteling stond hij vermeld als Gerbrand Schürmann. ‛In enkele van mijn vroege films werd dat zo gespeld, omdat mijn Nederlandse agent De Koos mij had overgehaald mijn voornaam te veranderen van Gerhard naar Gerbrand zodat deze Hollandser klonk in die jaren van anti-Duitse sentimenten.’ De film bevatte relatief veel muzikale begeleiding in de vorm van een gevarieerde score die, ondanks dat het hier een debuut als filmcomponist betrof, een goede beheersing van het vak verraadt. Opvallend is de uitgekiende instrumentkeuze voor de afwisselende emoties evenals het gevoel voor dramatiek wat met name tot uitdrukking komt in het gebruik van percussie. Tot slot is er tijdens een actiescène aan het einde van de film een mix van het geluid van de donder en daarmee gepaard gaande onstuimige muziek, een recept waarmee Schurmann zijn tijd vooruit was. De Nederlandse versie werd op 23 december 1948 voor het eerst vertoond, van de Engelse versie is geen kopie overgebleven. Deze verloren film werd door het British Film Institute op een lijst gezet met de 75 meest gezochte Britse films.

Ondanks dit geslaagde debuut heeft Schurmann net als veel van zijn toenmalige collega’s nooit een professionele opleiding tot filmcomponist genoten. Een belangrijke impuls richting film kwam van de componist Alan Rawsthorne (1905-1971) bij wie hij compositie studeerde en die hij als orkestrator assisteerde bij zijn filmscores. Uit deze samenwerking zou tevens een levenslange vriendschap resulteren. ‛Ik heb veel geleerd van Alan toen ik zijn scores orkestreerde. De eerste was Pandora and the Flying Dutchman, gevolgd door Where No Vultures Fly (ook bekend als Ivory Hunter).’ Beide films stammen uit 1951 en voor zijn bijdragen kreeg Schurmann geen credit op de aftiteling evenmin als zijn bijdrage als orkestrator aan The Cruel Sea (1953), een prestigieuze oorlogsfilm van Charles Frend met Jack Hawkins in de hoofdrol en Rawsthorne als componist. Die had vergeefs geprobeerd Schurmann aan een scoreopdracht te helpen en liet hem daarom voor deze film de muziek schrijven bij een belangrijke zeeveldslag. Die viel in de smaak van producer Michael Balcon en de regisseur, die eerder de opdracht aan de jonge, onervaren componist hadden geweigerd. Dankzij Rawsthornes altruïstische daad kreeg Schurmann eindelijk de opdracht voor een geheel eigen score: The Long Arm (1956) van Charles Frend met wederom Jack Hawkins in de hoofdrol. De film over een rechercheur van Scotland Yard die een reeks inbraken moet oplossen opent met realistische straatbeelden van avondlijk Londen. De muziek was van meet af aan kenmerkend voor de componist zoals hij die nog vaker zou schrijven: symfonisch, met een of meer stingers, rollende pauken en schetterend koper, dit alles verpakt in een compositie die de kijker met vaart het verhaal introk. Opvallend waren her en der opduikende korte stukjes muziek die locatie en handeling benadrukten en de kijker zo behendig door de film wisten te leiden. Ook een welhaast exotische instrumentkeuze bij een overval moet destijds de aandacht hebben getrokken. Maar er was ook ruimte voor luchtige passages, want deze film was afkomstig uit de Ealing studio die indertijd vooral naam had gemaakt met enkele legendarische komedies. Sterker nog, het zou de laatste film zijn die in de befaamde studio werd gedraaid.

Voorwaarts

Gedurende de jaren 1956-1963 zou Schurmann voor tien Britse films de muziek schrijven, te beginnen met The Long Arm en The Man in the Sky (1957). Over zijn scores: ‛Die waren allemaal symfonisch dan wel orkestraal van aard. Ik stond vooral bekend als componist van energieke muziek. Volgens de pers hielp ik zo de actie voorwaarts.’ Minder talrijk dan gebruikelijk waren de instrumenten voor de muziekopnamen bij de volgende film, The Camp on Blood Island (1958) van Val Guest. Dit was een kleinschalige film met een beperkt muziekbudget uit de Hammer studio die zich afspeelde direct na het einde van de Tweede Wereldoorlog in een Jappenkamp in Brits Maleisië. Zware klanken vol tromgeroffel begeleidden de onthutsende beelden van de ontberingen en het realistische geweld. De onontbeerlijke suspense bij deze scènes hield de componist met korte stukjes vol tot aan het einde wanneer de Japanse vlag wordt gestreken onder begeleiding van percussie. In hetzelfde jaar schreef Schurmann de muziek voor de spionagefilm The Two-Headed Spy die zich ook gedurende de oorlog afspeelde. De muziek voor deze thriller was groots, soms ronduit wild en aanhoudend vol dreiging. Het success van deze Brits-Amerikaanse coproductie van André De Toth leverde Schurmann een opdracht op van Hollywoodproducer Herman Cohen, getiteld Horrors of the Black Museum (1959) van Arthur Crabtree. De muziek voor deze horrorfilm was bijzonder effectief getuige alleen al de muziek onder de begintitels: vol passie, dreiging en regelmatige stingers en waaraan simpelweg geen ontkomen is. Ook de scène met een gruwelijke bril (twintig seconden huiveringwekkende suspense) voorzag Schurmann van inventieve, angstaanjagende muziek die bij zowel de makers als het publiek heel wat afschuw opriep. Hetzelfde kan worden gezegd van The Headless Ghost (1959) van Peter Graham Scott, waar onstuimige klanken vol vaart en dreigende stingers te horen waren die de kijkers indertijd ongetwijfeld de stuipen op het lijf hebben gejaagd.

Tussen de bedrijven door continueerde Schurmann zijn werkzaamheden als orkestrator met enkele grote Hollywoodfilms als The Vikings (1958) van Richard Fleischer en Exodus (1960) van Otto Preminger. ‛Na The Long Arm en The Man in the Sky adviseerde mijn vriend Malcolm Arnold me om mijn diensten als orkestrator aan te bieden aan Amerikaanse films met een groter budget. Die opdrachten brachten meer geld in het laatje dan de vaste vergoedingen in Engeland. Wel was het gebruikelijk dat de orkestrator geen aparte credit kreeg.’ Opmerkelijk in dit verband was zijn bijdrage aan het monumentale epos Lawrence of Arabia (1962) van David Lean. Aanvankelijk zouden hij en componist Maurice Jarre de score samen doen. Echter, al snel ontstond onenigheid tussen de twee en uiteindelijk zou Schurmann na tussenkomst van producer Sam Spiegel geheel verantwoordelijk worden voor de orkestraties en afzien van het leveren van additionele muziek. ² Uniek was echter zijn prominente vermelding als orkestrator in de begintitels direct onder componist Maurice Jarre.

                                                                   Lawrence of Arabia (1962) van David Lean.

Voor producer Herman Cohen schreef Schurmann in 1961 de muziek voor de horrorfilm Konga van John Lemont, een monsteraapfilm die overduidelijk refereerde aan het superieure King Kong uit 1933. Andermaal pakte de componist uit met onvervalste horrormuziek die dit keer werd afgewisseld door serene klanken voor de romantische momenten evenals twee door hemzelf gearrangeerde pianocomposities van Chopin en Schumann. Voor de Walt Disney studio werkte Schurmann vervolgens aan de avonturenfilm Dr. Syn, Alias the Scarecrow (1963) van James Neilson. Dit was voor de componist andere koek, want nu kon hij zich uitleven in pastorale stukken naast meeslepende actiemuziek. ‛Jaren later kwam ik erachter dat de muziek voor Dr. Syn nog steeds erg geliefd is getuige de dierbare jeugdherinneringen van velen aan de film. Toen ik in 1980-1981 met mijn concertmuziek door de Verenigde Staten toerde had ik een ontmoeting met Ron Miller, de schoonzoon van Walt Disney, die indertijd aan het hoofd stond van de Disney studio. Hij en het hoofd van de muziekafdeling boden mij aan om dirigent te worden van de animatiefilm Musicana, een sequel van Fantasia, die toen al een jaar of vijf in voorbereiding was. Nog geen twee weken nadat ik en mijn vrouw naar Los Angeles waren verhuisd, werd het project afgeblazen vanwege een gebrek aan financiële middelen!’

Uit hetzelfde jaar als Dr. Syn stamde The Ceremony, het regiedebuut van acteur Laurence Harvey, waarvan de beklemmende muziek net als die van Dr. Syn ruim aan bod komt op de cd van Chandos. Twee jaar later was er de Koude-Oorlog-film The Bedford Incident van James B. Harris en drie jaar daarna de oorlogsfilm Attack on the Iron Coast van Paul Wendkos. De componist dirigeerde de muziek voor deze laatste film zelf: heftige en tegen het einde heroïsche actiemuziek naast hartstochtelijke tonen. De score diende later als basis voor het opdrachtwerk Attack and Celebration (1972). Voor Hammer Films deed de componist tot slot de voor deze studio grootscheepse avonturenfilm The Lost Continent (1968) van Michael Carreras. De gerenommeerde Britse componist Benjamin Frankel zou oorspronkelijk de muziek doen, maar die werd afgewezen waarna regisseur Carreras aanklopte bij Schurmann. Gergely Hubai schrijft in Torn Music ³ dat Schurmann feitelijk de eerste keuze van de regisseur was maar toen niet beschikbaar was. Na het afwijzen van Frankel was hij nog steeds niet beschikbaar en daarom besloot Carreras zes maanden te wachten tot hij vrij was, zo graag wilde hij met de componist in zee gaan. Immers, Schurmann wist de kleinschalige horrorproducties waarvoor hij had gewerkt met zijn levendige scores grootser en beter te maken dan ze in werkelijkheid waren, aldus Hubai. Ondanks een overweldigende ouverture die naar een wilde climax leidt, werd de gevarieerde, enerverende score verprutst door een slechte geluidsmix, reden te meer voor de componist om het vak van filmcomponist vaarwel te zeggen.

Schurmann had anno 1968 qua omvang een aardige carrière als filmcomponist achter de rug. Over de samenwerking met de diverse regisseurs: ‛Elke score verlangde een eigen aanpak afhankelijk van het onderwerp en de betrokken mensen. Elke opdracht was weer anders en ik kan mijn ervaring als orkestrator bij Otto Preminger (Exodus) nauwelijks vergelijken met mijn contacten met David Lean (Lawrence of Arabia) of als componist die met James B. Harris (The Bedford Incident), Michael Carreras (The Lost Continent) of Herman Cohen (Horrors of the Black Museum en Konga). Er waren altijd langdurige discussies over de muziek, hetzij met de producer en/of de regisseur.’ Over de opnamen van zijn scores merkt de componist op: ‛Soms dirigeerde ik de muziek, maar bij mijn vroege films deden Muir Mathieson, zijn broer Dock Mathieson, John Hollingsworth en Philip Martell dat meestal. Een enkele keer was ik aanwezig bij de afwerking van de muziek. Dat kon wel eens frustrerend uitpakken, aangezien de muziek vaak werd opgeofferd ten gunste van de geluidseffecten.’

Klassieke werken

Al sinds zijn jonge jaren had Schurmann klassieke werken voor de concertzaal geschreven. Voor de componist waren ze van groter belang dan het filmwerk: ‛Ofschoon filmmuziek best wel plezierig kon zijn – en soms ook voor de nodige stress zorgde – was dit voornamelijk een manier om geld te verdienen, wat mij weer in de gelegenheid stelde om muziek te schrijven voor de concertzaal.’ Tot zijn vele concertante werken horen liederencycli gebaseerd op gedichten, enkele zangstukken, een viool- en een pianoconcert, kamermuziek en wat tot wellicht zijn belangwekkendste compositie wordt gerekend Six Studies of Francis Bacon (1968), vernoemd naar de roemruchte schilder die jarenlang in Londen zijn buurman was geweest. Naast enkele serene passages in de zes stukken zijn er bij vlagen heftige uithalen die naadloos lijken aan te sluiten bij de horrorscores waarmee de componist bij uitstek naam had gemaakt. ‛Filmmuziek gaf mij het vertrouwen om concertante werken te schrijven. De mogelijkheid om deze muziek binnen een kort tijdsbestek te kunnen horen in plaats van jaren te moeten wachten op een uitvoering was erg bemoedigend.’ Ook een specifiek thema uit een filmscore keerde later in een klassiek werk terug: ‛Ik was bijzonder tevreden met een thema dat ik verwerkte in Dr. Syn. Daarna zat het gedurende lange tijd in mijn gedachten om het te gebruiken als basis voor een concertant werk. Uiteindelijk heb ik Romancing the Strings geschreven waarin ik dit thema heb gebruikt, gevolgd door een reeks variaties erop.’

Geheel afwezig uit de filmwereld was Schurmann na 1968 niet. Orkestratieklussen waren er voor Cross of Iron (1977) van Sam Peckinpah en voor Safari 3000 (1980) van Harry Hurwitz. En na zijn verhuizing naar Los Angeles waren er zowaar twee Europese opdrachten: Claretta (1984) van Pasquale Squitieri en The Gambler (1997) van Károly Makk. ‛De opdracht voor Claretta kreeg ik van een Amerikaanse producer die voor Disney had gewerkt. Voor het componeren verbleef ik enkele maanden in Rome in het weelderige huis van de Italiaanse producer. Een van de producers van The Gambler benaderde mijn publicist, Novello & Co. Ltd., of ze een componist kenden die niet bekend stond als een typische filmcomponist. Novello gaf hem verscheidene namen en uiteindelijk werd ik gekozen.’ Vergeleken met zijn vroegere scores werden deze twee gekenmerkt door een meer lyrische ondertoon gekoppeld aan een meer verfijnde psychologische benadering. ‛Beide films waren anders, zeker vergeleken met de horrorfilms. Maar je moet iedere film op zijn eigen voorwaarden benaderen. Ik heb mij altijd volledig ingezet om gepaste muziek te schrijven voor de films die ik kreeg aangeboden.’

In zijn nieuwe thuis ver weg van zijn geliefde Engeland werkte Schurmann de afgelopen vier decennia stug door aan klassieke werken die alle zijn opgevoerd. Geheel geruisloos is zijn muziek niet voorbijgegaan aan ons land. ‛Ik heb Nederland door de jaren steeds bezocht, al was het laatste bezoek zes of zeven jaar geleden toen ik vrienden bezocht. In januari 2016 werd mijn orkestrale werk Six Studies of Francis Bacon door het orkest van het Concertgebouw in Amsterdam uitgevoerd, een voorstelling die ik omwille van mijn gezondheid niet kon bijwonen.’ Stil zitten is er voor de componist echter nog steeds niet bij. Afgelopen zomer zag een cd op het Chandos label met een mooie afspiegeling van zijn filmmuziek het licht. Dit was een initiatief van de beheerders van de Engelse Schurmann Foundation. Zij klopten aan bij dit label nadat een eerdere poging van wijlen de filmmuziekexpert Davis Wishart op niets was uitgelopen. Dirigent Rumon Gamba begroette het voorstel uiteindelijk van ganser harte, waarna hij de muziek opnam met het BBC Philharmonic Orchestra. Over zijn betrokkenheid bij de totstandkoming van de cd vertelt Schurmann: ‛Ik maakte een selectie en arrangeerde alles. Mijn streven was om een aangenaam vloeiende muzikale verhaallijn te presenteren die tegelijkertijd het wezen van elke film diende te vangen. Helaas was ik niet in staat om voor de opnamen naar Engeland te reizen, maar ik was ervan overtuigd dat mijn muziek in goede handen was van Rumon Gamba en het BBC Philharmonic Orchestra.’

Of er een tweede cd met meer filmmuziek zal verschijnen in 2021, zoals te lezen valt in het begeleidende boekje, is niet zeker. Wel is Schurmann op dit moment bezig met het samenstellen van een nieuwe cd voor hetzelfde label die in 2021 door Rumon Gamba zal worden opgenomen. Ditmaal betreft het klassieke werken, waaronder zijn pianoconcert en Gaudiana. ‛Dat heb ik gecomponeerd voor het Barcelona Symfonieorkest. Het is gebaseerd op de gebouwen en landschapsschilderijen van de Catalaanse architect Antoni Gaudí, in het bijzonder de Sagrada Família waaraan al 137 jaar wordt gebouwd en waarvan de oplevering zal plaatsvinden in 2026. Rumon Gamba dirigeerde de première van Gaudiana met het Barcelona Symfonieorkest in 2005 in hun nieuwe concertzaal Auditori.’

De banden met vooral Engeland zijn nog steeds bijzonder hecht getuige de contacten met de Schurmann Foundation, maar ook de herinneringen aan Nederland zijn er zonder enige twijfel nog. The Film Music of Gerard Schurmann is een tastbaar bewijs van zijn talent. Binnen een bescheiden filmœuvre heeft de componist overtuigend bewezen met een inventieve instrumentkeuze en dynamische composities effectieve filmmuziek te kunnen scheppen. Het is daarom tijd voor een kennismaking dan wel herwaardering van zijn scores (en ander werk); een tweede cd met filmwerk zou derhalve zeer welkom zijn. Later deze maand wordt Schurmann 96 jaar.

¹ ‛Eenige wakkere jongens’. Nederlandse oorlogsvliegers in de Britse luchtstrijdkrachten 1940-1945. Erwin van Loo. Boom, Amsterdam, 2013, p. 300-301.

² Lawrence of Arabia. The 30th Anniversary Pictorial History. L. Robert Morris, Lawrence Raskin. Anchor Books, New York, 1992, p. 145.

³ Torn Music. Gergely Hubai. Silman-James Press, Los Angeles, 2012, p. 82-83.

 

Paul Stevelmans